3. THE PRESENT TENSE

USE/FUNCTION

We gebruiken de simple present om een permanente staat of een herhaalde actie te beschrijven. Gebeurtenissen die iedere dag, week, maand of jaar gebeuren.

Water freezes at 0 degrees Celsius. (permanent)
I take a blood sample from the fish every week. (herhaalde actie)
He goes to the fish farm every day.

Maar wanneer we een vraag stellen, of een negatieve uitdrukking maken verandert de vorm van simple present.

We kunnen niet zeggen "Speak you German?" en antwoorden "I speak not German, I speak French".

Wanneer we een vraag stellen, in de simple present, moeten we een andere vorm gebruiken, met het hulpwerkwoord "to do".

En wanneer we de vraag ontkennend beantwoorden , moeten we de negatieve vorm van de present simple gebruiken.

Do you speak German? No, I do not speak German, I speak Flemish.
Does he speak Greek? No, he does not speak Greek, but he speaks French.

We gebruiken bijna altijd de korte vormen "don't" en "doesn't" in gesproken taal.

I don't take blood samples every day.
He doesn't go to the fish farm every day.
Don't you see the bucket with food beside the circular tank?

[vorige pagina]