VERLEDEN TIJD

SIMPLE PAST

Vul de zin aan door gebruik te maken van de SIMPLE PAST.

De tekst wordt ook in het Engels gegeven om de tekst beter te verstaan, maar je kan best met de Nederlandse tekst werken.

Spreken, vallen, verliezen, stelen, kosten, verspreiden, spreiden, houden, horen, kiezen, zien

  1. Het Duitse meisje 5600m uit de lucht vanuit een vliegtuig.
  2. Een dief brak in zijn appartement in en zijn laptop.
  3. Het basketball team speelde zeer goed maar toch ze het spel met 2 punten.
  4. De student de microscoop niet bij de basis vast maar bij de oculair tubus.
  5. De technicus de stalen op de labo werktafel.
  6. Hij (niet) de goedkoopste camera, maar degene die hem het meest aanstond.
  7. De camera die hij , een hoop geld.
  8. President Clinton van het Parthenon toen hij in Athene was.
  9. jij. wat ik zei?
  10. Ze draagt een jurk waar ze veel van houd.